:focal(undefined))
NBN D 51-006 herzien: de belangrijkste wijzigingen voor de installateur
Op 24 juni 2026 verscheen de vierde versie van NBN D 51-006, de norm met de algemene technische en veiligheidsvoorschriften voor gasinstallaties op commercieel butaan of propaan in ontspannen gasfase, met een maximale werkdruk van 5 bar. De nieuwe uitgave vervangt versie 3. Voor beide versies geldt een co-existentieperiode van twaalf maanden.
De herziening gaat verder dan een actualisering van enkele begrippen. Verschillende voorschriften voor materialen, drukregeling, dimensionering, aanleg en controle zijn gewijzigd of verduidelijkt. Vooral de dimensionering van het leidingwerk en de controle van nieuwe en bestaande installaties zijn grondig herwerkt.
Wat verandert er concreet voor u als installateur? We zetten de belangrijkste wijzigingen op een rij.
:focal())
1. Nieuwe benamingen en principes voor drukregeling
De terminologie voor drukregelaars is vereenvoudigd en beter afgestemd op de functie van de regelaar in de installatie. De norm gebruikt voortaan de begrippen voorontspanner, tussenontspanner en eindontspanner. Hierdoor wordt ook duidelijk rekening gehouden met installaties waarin de druk in meer dan twee opeenvolgende stappen wordt verlaagd.
De voorontspanner verlaagt de druk van het gas uit het opslagrecipiënt naar de ingangsdruk van een volgende ontspanner. Een tussenontspanner kan worden toegepast wanneer een bijkomende ontspanningsstap nodig is. De eindontspanner verlaagt de druk uiteindelijk tot de nominale werkdruk van de aangesloten verbruikstoestellen.
Belangrijker dan de gewijzigde benamingen is de nieuwe benadering van de overdrukbeveiliging. Een voorontspanner, eindontspanner of gecombineerde drukregelaar¹ met een ingangsdruk van meer dan 100 mbar moet voorzien zijn van, of onmiddellijk gevolgd worden door, een overdrukbeveiliging. Die beveiliging kan worden gerealiseerd door een drukbegrenzing of door een OPSO (overdrukafslagbeveiliging), waarbij de gastoevoer bij overdruk automatisch wordt afgesloten.
De overdrukbeveiliging mag deel uitmaken van de drukregelaar of onmiddellijk stroomafwaarts ervan worden geplaatst. De eerdere verwijzing naar een UPSO-beveiliging (onderdrukafslagbeveiliging) is niet meer opgenomen.
[1] Een gecombineerde drukregelaar is één drukregelaar die instaat voor zowel de voorontspanning als de tussen- of eindontspanning.
:focal())
2. Nieuwe mogelijkheden voor materialen en verbindingen
Versie 4 maakt het gebruik van een aantal materialen en verbindingstechnieken mogelijk of verduidelijkt de voorwaarden ervan.
Voor metalen slangen tussen een gasfles of gastank en de eerste ontspanning geldt voortaan een nominale druk van PN 30. In versie 3 werd bij aansluitingen op een opslagtank nog PN 16 gehanteerd, terwijl PN 30 gold voor gasflessen.
Daarnaast worden persverbindingen op koolstofstalen buizen opgenomen. Dit biedt de installateur een bijkomende verbindingsmethode naast onder meer schroefdraad- en lasverbindingen, op voorwaarde dat de gebruikte buizen, hulpstukken en verbindingstechniek aan de bepalingen van de norm en aan de voorschriften van de fabrikant voldoen.
Ook de eisen voor stop- en sectioneerkranen in gebouwen zijn verduidelijkt. Een kraan die binnen een gebouw wordt geplaatst, moet bestand zijn tegen hoge temperaturen en zijn dichtheid behouden in zowel open als gesloten stand. Bij kranen overeenkomstig NBN EN 331 wordt dit aangeduid met een C-markering, gevolgd door de proefdruk waarbij aan deze eis wordt voldaan. De installateur moet dus niet alleen de nominale druk van de kraan controleren, maar ook nagaan of de vereiste RHT-markering aanwezig is.
:focal())
3. PLT voortaan mogelijk tot 2 bar
Het toepassingsgebied van PLT-buissystemen wordt aanzienlijk uitgebreid. In versie 3 was het gebruik beperkt tot installaties met een MOP van maximaal 0,5 bar. Versie 4 laat PLT toe tot een MOP van 2 bar, voor nominale diameters tot en met DN 25.
De correcte markering van het PLT-systeem blijft daarbij essentieel. De verschillende componenten moeten deel uitmaken van één systeem en worden toegepast volgens de montage- en installatievoorschriften van de fabrikant.
:focal())
4. Wijzigingen aan het traject en de aanleg van leidingen
De afzonderlijke sectioneerkraan bij het binnenkomen van een gebouw wordt niet langer algemeen voorgeschreven. Bij een propaaninstallatie kan de gastoevoer immers worden afgesloten met de dienstkraan op de gasfles of gastank. Stop- en sectioneerkranen blijven uiteraard noodzakelijk op plaatsen waar zij volgens de configuratie en het gebruik van de installatie een specifieke functie vervullen.
Voor ondergrondse leidingen worden enkele praktische uitzonderingen ingevoerd. Rond ingegraven tanks en beschermkasten kan de algemene plaatsingsdiepte van 60 cm niet altijd worden aangehouden. Binnen een straal van maximaal 1,5 m rond het middelpunt van de kast en de toezichtskamer van de tank hoeft echter geen kunststoffen beschermingsplaat te worden voorzien. Ook de toegelaten bovengrondse lengte van een PE-leiding wordt verruimd van 70 naar 100 cm.
Bij een opstelling met een gasfles, slang en verbruikstoestel moet het geheel in principe volledig binnen of volledig buiten worden geplaatst. Zo wordt vermeden dat een flexibele slang door een wand, deur- of raamopening loopt. Voor bepaalde toepassingen, zoals stacaravans, voorziet de norm een specifieke uitzondering. Bij een vast toestel kan de gasfles buiten en het toestel binnen worden opgesteld, op voorwaarde dat een slang van maximaal 50 cm de verbinding maakt tussen de flesdrukregelaar en de vaste leiding door de wand. Het geheel van slang en leiding mag maximaal 2 m lang zijn.
Voor niet-residentiële gebouwen wordt de plaatsing van de eindontspanning binnen het gebouw bovendien niet langer gekoppeld aan een minimaal totaal geïnstalleerd vermogen van 70 kW. De mogelijke opbouw van de drukregeling wordt daardoor meer bepaald door de technische configuratie en veiligheidsvoorwaarden van de installatie dan door deze vroegere vermogensgrens.
5. Dimensionering van het leidingwerk volledig herwerkt
De dimensionering van het leidingwerk krijgt in versie 4 een afzonderlijk normhoofdstuk. De berekening gebeurt voortaan op basis van de eigenschappen van propaan, in plaats van aardgas G25.
Voor leidingwerk met een MOP tot en met 100 mbar bedraagt het maximaal toegelaten effectieve drukverlies voortaan 2 mbar. In versie 3 bedroeg dit voor leidingen op 37 of 50 mbar maximaal 1 mbar.
Bij het bepalen van het effectieve drukverlies moet rekening worden gehouden met:
het lineaire drukverlies in de leidingen;
de plaatselijke drukverliezen in hulpstukken, kranen en andere componenten;
de drukverschillen als gevolg van hoogteverschillen;
de maximaal toegelaten gassnelheid.
Wanneer de afzonderlijke plaatselijke drukverliezen niet bekend zijn, wordt voor de berekening een fictieve lengte gebruikt. Die wordt verkregen door de werkelijke lengte van het betrokken leidingdeel met 20% te verhogen.
Voor leidingwerk met een MOP van meer dan 100 mbar tot en met 5 bar mag het effectieve drukverlies niet groter zijn dan 5% van de MOP wanneer alle toestellen gelijktijdig op hun maximale calorische debiet werken.
De norm bevat berekeningsformules en informatieve tabellen met lineaire drukverliezen en binnendiameters. Er kan ook worden gewerkt met drukverliesgegevens van de fabrikant.
Voor de dimensionering van een PLT-buissysteem moet de installateur gebruikmaken van de drukverliesgegevens van de fabrikant. De algemene formules uit de norm mogen niet rechtstreeks worden toegepast om het drukverlies van PLT-leidingen en PLT-componenten te bepalen.
6. Controle van de installatie: vier duidelijk onderscheiden situaties
Het hoofdstuk over de controle van de installatie is volledig herschreven. Versie 4 maakt een duidelijk onderscheid tussen de controle van:
een nieuwe installatie;
een uitbreiding op een bestaande installatie;
een gewijzigd bestaand leidingwerk;
een ongewijzigde bestaande installatie.
Voor elk van deze situaties geldt een eigen combinatie van mechanische weerstandsproef, dichtheidsproef, drukbehoud, afzepen en gasdetectie.
1. Nieuwe installatie
Een nieuwe installatie wordt eerst onderworpen aan een mechanische weerstandsproef. De vereiste proefdruk is afhankelijk van de maximale werkdruk van het leidingdeel.
Maximale werkdruk | Proefdruk mechanische weerstandsproef |
|---|---|
MOP ≤ 0,1 bar | Minimaal 2,5 × MOP |
0,1 bar < MOP ≤ 2 bar | Meer dan 1,75 × MOP |
2 bar < MOP ≤ 5 bar | Meer dan 1,40 × MOP |
Voor een gangbare binnenleiding met een MOP van maximaal 50 mbar leidt de factor 2,5 tot een proefdruk van minimaal 125 mbar. Omdat de daaropvolgende dichtheidsproef op 150 mbar wordt uitgevoerd, volstaat in dat geval de uitvoering van de dichtheidsproef volgens de voorgeschreven procedure.
De dichtheidsproef gebeurt met lucht of inert gas op een proefdruk van 150 mbar, met een tolerantie van +0/-10 mbar en steeds op een druk die minstens gelijk is aan de MOP van de installatie.
De dichtheid wordt vastgesteld aan de hand van twee gelijktijdige controles:
alle verbindingen worden afgezeept. Er mogen geen bellen ontstaan;
na stabilisatie moet de proefdruk gedurende minstens 10 minuten behouden blijven.
Bij een nieuwe installatie mag dus niet worden gekozen tussen afzepen en drukbehoud. Beide controles zijn vereist.
2. Uitbreiding op een bestaande installatie
Het nieuwe leidingdeel wordt gecontroleerd zoals een nieuwe installatie. Afhankelijk van de MOP worden dus een mechanische weerstandsproef en een dichtheidsproef op proefdruk uitgevoerd.
De verbinding tussen de sectioneerkraan aan het begin van de uitbreiding en het bestaande leidingwerk kan pas na het onder gas brengen worden gecontroleerd. Dit gebeurt op werkdruk door de verbinding af te zepen of met een geschikt gasdetectietoestel te controleren.
Een specifieke uitzondering geldt bij de vervanging of verplaatsing van een opslagrecipiënt, wanneer de uitbreiding zich buiten het gebouw bevindt en beperkt blijft tot maximaal 3 meter. In dat geval mogen de volledige controles voor een nieuwe installatie worden vervangen door een dichtheidsproef op werkdruk.
3. Gewijzigd bestaand leidingwerk
Wanneer bestaand leidingwerk wordt gewijzigd, bijvoorbeeld bij het vervangen van een defect onderdeel, moet minstens het gewijzigde gedeelte op werkdruk worden gecontroleerd.
Daarbij worden de verbindingen afgezeept én wordt na stabilisatie nagegaan of de werkdruk gedurende minstens tien minuten behouden blijft. Ook hier zijn beide waarnemingen vereist.
4. Ongewijzigde bestaande installatie
Bij een bestaande installatie waaraan geen wijzigingen zijn uitgevoerd, gebeurt de dichtheidscontrole op werkdruk. De controle, bijvoorbeeld in het kader van een vijfjaarlijkse periodieke keuring of bij het vervangen van een gasfles, kan worden uitgevoerd door de bereikbare verbindingen af te zepen of door het behoud van de werkdruk te controleren of door beide methoden te combineren.
7. Het pijpleidingenattest krijgt een andere opbouw
In versie 3 was het pijpleidingenattest opgenomen in een normatieve bijlage. In versie 4 staat het model van het attest in een informatieve bijlage. De verplichting om na de uitvoering en controle van de installatie een pijpleidingenattest op te stellen, blijft echter opgenomen in de hoofdtekst van de norm. Het informatieve karakter van het model betekent dus niet dat het opstellen van het attest facultatief is.
Het vernieuwde attest is opgevat als een duidelijke inventaris van de installatie. Het bevat onder meer informatie over het opslagrecipiënt, de drukregelaars, het leidingwerk, de gebruikte materialen en verbindingstechnieken, de verbruikstoestellen en de uitgevoerde controles. Ook het Cerga Propaan-nummer kan facultatief worden vermeld.
Het attest kan bovendien worden gebruikt bij latere interventies en bij de periodieke controle van de installatie. Een volledig en correct ingevuld document maakt het eenvoudiger om de oorspronkelijke configuratie en eventuele latere uitbreidingen of wijzigingen te reconstrueren.
8. Open toestellen, dampkappen en grootkeukens
De voorwaarden voor de combinatie van een open verbrandingstoestel met een dampkap of andere mechanische afzuiging zijn herwerkt. Bij dergelijke combinaties moet worden vermeden dat de mechanische afzuiging een ontoelaatbare onderdruk veroorzaakt en daardoor de correcte afvoer van de verbrandingsproducten verstoort.
De norm beschrijft verschillende mogelijkheden om de goede werking te waarborgen, zoals voldoende compensatielucht of een aangepaste vergrendeling.
Daarnaast bevat versie 4 specifieke bepalingen voor grootkeukentoestellen op propaan. Daarmee wordt de norm beter afgestemd op professionele keukens, waar meerdere toestellen, grotere calorische debieten en mechanische ventilatie- of afzuigsystemen gecombineerd kunnen worden.
Cerga organiseert een verplichte bijscholing over de herziene NBN D 51-006
Naar aanleiding van de publicatie van versie 4 van NBN D 51-006 organiseert Cerga een bijscholing waarin de belangrijkste wijzigingen en hun praktische impact uitgebreid worden toegelicht. Deze bijscholing is verplicht voor de technisch verantwoordelijken van bedrijven met een Cerga-nummer voor propaangas. Ook andere geïnteresseerde installateurs en medewerkers zijn welkom. Zodra de opleidingsdata bekend zijn, worden de Cerga-installateurs hiervan op de hoogte gebracht via de gebruikelijke communicatiekanalen.
Tegelijk wordt ook de Cerga-opleiding voor propaangas voor het behalen van het Cerga-label van propaangasinstallateur aangepast, zodat deze volledig in overeenstemming is met de vierde versie van de norm.
Op de FeBuPro-webshop verschijnt in november de herziene handleiding, inclusief illustraties en handige opmerkingen voor de praktijk.