:focal(undefined))
Hybride warmtepompen: goede regeling maakt het verschil
Een hybride installatie combineert een elektrische lucht-waterwarmtepomp met een gasketel. De warmtepomp levert het grootste deel van de ruimteverwarming. De ketel springt bij wanneer dat technisch of economisch zinvol is en verzorgt meestal ook het sanitair warm water.
Gas.be heeft sinds september 2024 drie hybride installaties in bestaande woningen met radiatoren opgevolgd. Gedurende twee stookseizoenen werden onder meer warmteproductie, elektriciteits- en gasverbruik en vertrektemperaturen gemeten. Zo kwamen niet alleen de globale prestaties in beeld, maar ook typische praktijkproblemen zoals korte cycli, verkeerde omschakeling en onnodige vermogensbegrenzing.
Twee stookseizoenen meten in drie bestaande woningen levert vooral één duidelijke les op: niet de machine, maar de inregeling bepaalt het resultaat.
COP, SCOP en SPF: wat is het verschil?
Bij warmtepompen worden verschillende cijfers gebruikt om de prestaties uit te drukken. Ze lijken op elkaar, maar betekenen niet hetzelfde.
COP: Prestatiecoëfficiënt
De COP of Coefficient of Performance geeft de verhouding weer tussen de afgegeven warmte en de opgenomen elektrische energie op een bepaald werkpunt. Een COP van 4 betekent bijvoorbeeld dat de warmtepomp op dat werkpunt 4 kWh warmte levert per 1 kWh opgenomen elektriciteit.
De COP verandert onder meer met de buiten- en watertemperatuur.
SCOP: Seizoensgebonden prestatiecoëfficiënt
De SCOP of Seasonal Coefficient of Performance geeft een beeld van de efficiëntie over een volledig verwarmingsseizoen, berekend volgens vastgelegde test- en klimaatomstandigheden.
De SCOP is daardoor vooral geschikt om de prestaties van warmtepompen onder gestandaardiseerde omstandigheden met elkaar te vergelijken.
SPF: Seizoensprestatiefactor
De SPF of Seasonal Performance Factor beschrijft de werkelijk behaalde seizoensprestatie van een installatie: de verhouding tussen de geleverde warmte en het opgenomen elektriciteitsverbruik over een langere praktijkperiode.
De SPF wordt dus niet alleen beïnvloed door de warmtepomp zelf, maar ook door de installatie en haar regeling.
Wat tonen de metingen?
De warmtepompen haalden over het seizoen een SPF tussen 3,2 en 3,5. Ze dekten 72 tot 99% van de verwarmingsbehoefte. Op twee van de drie locaties verbeterden de resultaten duidelijk nadat de regeling was aangepast. De installatie zelf hoefde daarvoor niet vervangen te worden.
Praktijkwaarde | Gemeten resultaat | Betekenis op de werf |
|---|---|---|
SPF warmtepomp | 3,2 tot 3,5 | Goede prestaties zijn haalbaar, ook met bestaande radiatoren. |
Dekking door warmtepomp | 72 tot 99% | De ketel hoeft alleen bij te springen wanneer dat nodig is. |
Optimalisatie | Tot 29% hogere SPF | Stooklijn en regeling leveren vaak meer op dan extra vermogen. |
1. Verlaag de stooklijn
Op één locatie stond de installatie aanvankelijk ingesteld zoals een klassieke ketel, met nachtverlaging, een hoge stooklijn en vertrektemperaturen tot 55 °C. Na optimalisatie werkte de warmtepomp meestal met een vertrektemperatuur van 33 tot 38 °C. Het comfort bleef behouden, terwijl de seizoensprestatie duidelijk steeg.
Praktijktip
Start niet automatisch met de fabrieksinstelling. Verlaag de stooklijn stap voor stap en controleer of alle vertrekken comfortabel blijven. Ook oudere radiatoren kunnen tijdens een groot deel van het stookseizoen met lagere temperaturen werken.
2. Vermijd een klassieke nachtverlaging
Een sterke nachtverlaging verplicht de warmtepomp om ’s morgens snel en op hoog vermogen op te starten, net wanneer de buitentemperatuur vaak het laagst is. Daardoor daalt het rendement en kan de ketel onnodig bijspringen.
Een stabiele ruimtetemperatuur laat de warmtepomp rustiger en langer moduleren.
Bespreek dit vooraf met de klant. Een warmtepomp voelt anders aan dan een ketel: de radiatoren zijn minder heet, maar geven langer warmte af. Dat is normaal en betekent niet dat de installatie tekortschiet.
3. Stem ketel en warmtepomp op elkaar af
Op één locatie was de communicatie tussen de warmtepomp en de ketel fout aangesloten. De ketel ging daardoor autonoom werken met een veel hogere temperatuurinstelling. Het resultaat was een installatie waarin beide toestellen elkaar tegenwerkten.
Let daarom bij de ingebruikname op de volgende punten:
Test bij de indienststelling of de ketel correct reageert op de warmtevraag van de warmtepomp.
Gebruik voor beide toestellen een coherente stooklijn en begrens de maximale vertrektemperatuur.
Controleer de omschakeling in reële bedrijfsomstandigheden en niet alleen via het installatiemenu.
4. Kies niet automatisch een grotere warmtepomp
In de test hadden de warmtepompen een vermogen van 6 tot 8 kW voor middelgrote woningen. Ze waren niet ontworpen om alleen de volledige piekvraag af te dekken. Dat hoeft bij een hybride systeem ook niet: de ketel blijft beschikbaar voor de koudste uren en voor de productie van sanitair warm water.
Een te grote warmtepomp kan in het tussenseizoen vaker aan- en uitschakelen. Kijk daarom vooral naar het aandeel van de jaarlijkse warmtevraag dat de warmtepomp kan leveren en niet uitsluitend naar het berekende piekvermogen.
5. Let op stille modus en andere begrenzingen
Op twee locaties stond een nachtelijke stille modus actief zonder dat de bewoners dit wisten. Die functie beperkte het compressorvermogen tijdens de koudste uren. Daardoor daalde de binnentemperatuur en moest de ketel vaker bijspringen.
Gebruik een stille modus alleen wanneer die nodig is. Beperk de tijdsvensters en leg de gevolgen ervan duidelijk uit aan de klant.
Checklist voordat u de werf verlaat
Gebruik deze checklist bij de ingebruikname van een hybride installatie:
☐ De stooklijn is zo laag mogelijk ingesteld en praktisch getest.
☐ Er is geen sterke nachtverlaging actief en de klant begrijpt waarom.
☐ Het bivalentiepunt en de omschakellogica zijn gecontroleerd.
☐ De ketel en de warmtepomp hanteren compatibele temperatuurinstellingen.
☐ De elektrische of communicatieve koppeling tussen beide toestellen is getest.
☐ Een eventuele stille modus is bewust ingesteld en met de klant besproken.
☐ De hydraulische opbouw, pompregeling en zomerstop zijn nagekeken.
☐ De klant weet welke instellingen hij wel en niet mag wijzigen.
☐ Het verbruik kan worden opgevolgd via toesteldata, een energiemeter of de app van de fabrikant.
☐ Er is een nacontrole na het eerste stookseizoen afgesproken.
De belangrijkste les
Een hybride warmtepomp is geen klassieke ketel met een extra toestel ernaast. Ze vraagt een andere regelstrategie: lage watertemperaturen, lange draaitijden, een doordachte omschakeling en duidelijke uitleg aan de gebruiker.
Wie daar bij de indienststelling tijd voor maakt, haalt meer uit dezelfde installatie en voorkomt klachten achteraf. Wie de installatie met klassieke ketelinstellingen laat werken, laat heel wat rendement liggen.
Plan een eerste-wintercheck
Bekijk na het eerste volledige stookseizoen de verbruiken, de dekkingsgraad van de warmtepomp en de comfortervaring. Een korte herinregeling is vaak een van de meest rendabele interventies van het hele project.
Meer weten? Wordt vervolgd in Cerga E-news
Een hybride installatie goed laten presteren zit vaak in de details. De vijf lessen hierboven vormen daarom vooral een eerste leidraad. In latere edities van Cerga News nemen we één of meerdere ervan onder de loep en bekijken we concreter wat ze betekenen voor de installateur op de werf.
Bron
Gebaseerd op de praktijkbevindingen van het COHRDE B-fieldtestprogramma van Gas.be in drie bestaande woningen.